Kans op een erfelijke ziekte

Veelgestelde vragen

Rick: “In mijn familie zijn enkele mensen jong overleden aan een hartaanval. Mijn opa, oom Kees en tante Marie waren alle drie jonger dan 50 toen ze overleden. Mijn vader is omgekomen bij een verkeersongeluk, maar we denken dat hij onwel is geworden tijdens het rijden. Misschien kreeg hij ook een hartaanval.
Nu heeft mijn broer Jeroen van 31 onlangs ook een hartaanval gehad. Omdat hij zo jong is en vanwege de familiegeschiedenis van plotselinge hartdood, heeft de cardioloog aanvullend onderzoek gedaan en Jeroen bleek een heel hoog cholesterol te hebben. Toen werd hij verwezen voor erfelijkheidsonderzoek. Jeroen is bij de klinisch geneticus geweest en hij blijkt familiaire hypercholesterolemie (FH) te hebben. Daardoor heeft hij dat veel te hoge cholesterolgehalte. FH is een erfelijke ziekte, misschien heb ik het dus ook. Moet ik me ook zorgen maken om een hartaanval?”

Antwoord:

Als plotseling overlijden op jonge leeftijd in de familie voorkomt, kan dat door een erfelijke aanleg komen. Er zijn verschillende erfelijke ziektes die een hartaanval op jonge leeftijd kunnen veroorzaken. Om te weten wat het risico voor familieleden is, moet je eerst weten om welke ziekte het gaat. Het is daarom belangrijk dat onderzocht is wat de achterliggende oorzaak is van Jeroens hartaanval.

Bij familiaire hypercholesterolemie is het cholesterolgehalte in het bloed te hoog. Hierdoor kunnen verstoppingen in bloedvaten ontstaan. Dit kan leiden tot een hartaanval.
Familiaire hypercholesterolemie erft autosomaal dominant over. Dat betekent dat Rick een kans van 1 op de 2 (50 procent) heeft dat hij ook familiaire hypercholesterolemie heeft. Dat geldt ook voor zijn zussen Bianca en Desiree.

Meestal krijgen de naaste familieleden van iemand bij wie een erfelijke ziekte wordt ontdekt, een familiebrief van de klinisch geneticus. Daarin staat uitleg over de ziekte. In deze brief staat ook dat zij erfelijkheidsonderzoek kunnen laten doen. Dus Rick kan zijn vraag met zijn huisarts bespreken. Als hij een familiebrief heeft gekregen, kan hij deze meenemen.
Als Rick ook familiaire hypercholesterolemie blijkt te hebben, wil dit nog niet zeggen dat hij ook een hartaanval krijgt. Met medicijnen die zijn cholesterol verlagen, een aangepast dieet, een gezonde leefstijl en regelmatige controle van het cholesterolgehalte in zijn bloed kan het risico op een hartaanval sterk verlaagd worden.

Hannah: “Ik ben zwanger en mijn jongste zus Aldith heeft net een dochtertje gekregen, Alisha. Met de hielprik die Alisha na haar geboorte kreeg is ontdekt dat zij sikkelcelziekte heeft. Daar schrokken we erg van! Ik heb ook een neef die de ziekte heeft. Mijn zus en ik hebben zelf de ziekte niet. Mijn vriend Gregory ook niet, maar we weten niet of de ziekte misschien ook in zijn familie voorkomt. We komen allebei uit een Surinaamse familie en ik hoorde laatst dat je dan een grotere kans hebt op sikkelcelziekte. Ik maak me nu zorgen dat ons kind ook sikkelcelziekte heeft. Hoe groot is de kans daarop?”


Antwoord:


Het is heel begrijpelijk dat Hannah zich nu zorgen maakt om haar ongeboren kindje. Sikkelcelziekte is een vorm van erfelijke bloedarmoede. De ziekte erft autosomaal recessief over. Dat betekent dat het kindje van Hannah en Gregory alleen sikkelcelziekte kan krijgen, als zij beiden drager zijn van het gen voor sikkelcelziekte. In dat geval is er een kans van 1 op de 4 (25 procent) dat hun kindje de ziekte heeft.

Om Hannahs vraag te beantwoorden, hebben we hierboven de stamboom van haar familie getekend. Nu Hannahs nichtje Alisha sikkelcelziekte heeft, weten we dat haar ouders Aldith en Stanley allebei drager zijn van het gen voor sikkelcelziekte. Omdat haar zus draagster is, heeft Hannah een kans van 1 op de 2 (50 procent) dat zij ook draagster is van het gen voor sikkelcelziekte.

Het is niet bekend of de ziekte in de familie van Gregory voorkomt. Wel weten we dat 1 op de 15 mensen van Surinaamse afkomst drager zijn van het gen voor sikkelcelziekte, dat is 6 procent van de mensen. De kans dat Hannah en Gregory allebei drager zijn van het gen voor sikkelcelziekte is daarom 1 op de 30 (3 procent).

Als beide ouders drager zijn van een recessieve aandoening, dan is voor elk kind de kans om de ziekte te krijgen 1 op 4.
De kans dat het kindje van Hannah en Gregory, net als Alisha, sikkelcelziekte heeft, is  daarmee 1 op de 120. Dat is minder dan 1%. Dat is een klein getal, maar wel ruim zeven keer zo groot als wanneer sikkelcelziekte niet in Hannahs familie zou voorkomen. 
Omdat Hannah en Gregory allebei van Surinaamse afkomst zijn en sikkelcelziekte in Hannahs naaste familie voorkomt, is er genoeg reden om bij een klinisch geneticus te laten onderzoeken of zij drager zijn. Hannah kan haar zorgen met haar huisarts of verloskundige bespreken.

Het kindje van Hannah of Gregory hoeft pas onderzocht te worden als zeker is dat Hannah en Gregory allebei drager zijn. Als dat niet zo is, is er ook geen kans dat hun kindje sikkelcelziekte heeft.
Als zij wel allebei drager blijken te zijn, kunnen Hannah en Gregory ervoor kiezen het kindje voor de geboorte te laten onderzoeken op sikkelcelziekte. Dit onderzoek kan alleen als Hannah nog niet zo lang zwanger is.

Zij kunnen ook wachten tot hun kindje is geboren. Met de hielprik die het kindje dan krijgt, wordt hoe dan ook onderzocht of het kindje sikkelcelziekte heeft. De klinisch geneticus bespreekt alle mogelijke keuzes met Hannah en Gregory.

 

Chris: “Mijn broertje Ben heeft een oogziekte. Hij ging steeds slechter zien. Nu is ontdekt dat hij retinitis pigmentosa heeft. Hij is doorgestuurd naar een klinisch geneticus voor een DNA-onderzoek waarmee ze willen onderzoeken welke vorm van de ziekte hij precies heeft. Twee broers van onze moeder en een oudoom hebben deze ziekte ook. Bij hen is zover wij weten nooit een DNA-onderzoek gedaan.
Ik heb gelezen dat retinitis pigmentosa erfelijk is. Mijn vrouw Lieke en ik willen graag een kindje. Door de diagnose van Ben en het DNA-onderzoek ben ik gaan twijfelen. Wat als ons kindje ook retinitis pigmentosa heeft. Kan dat? En zijn er manieren om dat te voorkomen?”

Antwoord:


Het is goed dat bij Chris’ broer Ben nu onderzocht wordt welke vorm van retinitis pigmentosa hij heeft. Er zijn heel veel verschillende vormen van retinitis pigmentosa, en die erven op verschillende manieren over. Eigenlijk zijn alle vormen van overerving mogelijk: autosomaal dominant, autosomaal recessief, mitochondrieel en X-gebonden recessief.

Als we kijken naar de stamboom van de familie van Chris en Ben, zien we dat de ziekte alleen bij mannen voorkomt. Maar niet alle mannen in de familie hebben de ziekte: de vier zoons van Hendrik hebben de ziekte bijvoorbeeld allemaal niet. Daarom is het op basis van deze stamboom het meest waarschijnlijk dat de vorm van retinitis pigmentosa die Ben heeft, X-gebonden recessief overerft. Het DNA-onderzoek zal daar zekerheid over geven.

Als de ziekte in de familie van Ben en Chris inderdaad X-gebonden recessief overerft, is hun moeder Anna drager van de ziekte. Zij heeft één gezond X-chromosoom en één X-chromosoom met de mutatie voor de ziekte. Door het gezonde X-chromosoom is zij zelf niet ziek. Haar zoons hebben elk één X-chromosoom van hun moeder gekregen. Ben heeft het X-chromosoom met de mutatie gekregen. Chris heeft de ziekte niet, dus hij heeft het gezonde X-chromosoom van Anna gekregen. Chris kan de ziekte dan ook niet doorgeven aan zijn toekomstige kinderen.

Als Ben tóch een vorm van retinitis pigmentosa blijkt te hebben die op een andere manier overerft, dan zullen de kinderen van Chris waarschijnlijk de ziekte ook niet krijgen. Wél kunnen zijn kinderen dan mogelijk drager zijn van de ziekte. Het is dus verstandig om te onderzoeken wat de erfelijke oorzaak van retinitis pigmentosa bij iemand is. Dat geeft informatie over het risico voor kinderen en familieleden.

Christa "Mijn vader, die inmiddels is overleden, komt uit een groot gezin. Mijn tante Hilda, de oudste zus van mijn vader, is jong overleden aan borstkanker. Een andere tante, Ank,  heeft borstkanker gehad. Nu is bij de jongste zus van mijn vader, Marion, op 48-jarige leeftijd ook borstkanker ontdekt. Kan het zijn dat de borstkanker in onze familie erfelijk is? Hoe groot is de kans dat ik ook een aanleg voor borstkanker heb?

Antwoord:

Christa heeft drie tantes die borstkanker hebben of hebben gehad. Drie van de vijf zussen in dit gezin kregen borstkanker. Het is daarom waarschijnlijk dat de borstkanker in haar familie een erfelijke oorzaak heeft.. Om dat zeker te weten, zouden Marion en Ank moeten laten onderzoeken of zij drager zijn van een erfelijke aanleg voor erfelijke borstkanker.

Soms is het niet mogelijk om te onderzoeken of  er in de familie sprake is van een erfelijke aanleg voor  kanker. Bijvoorbeeld omdat familieleden al zijn overleden (zoals Hilda) of omdat zij geen erfelijkheidsonderzoek willen.

We moeten nu uitgaan van de informatie die Christa tot haar beschikking heeft. Een erfelijke aanleg in BRCA1 of BRCA2, de bekendste genen die betrokken zijn bij borstkanker, erft autosomaal dominant over. Stel: we nemen aan dat Hilda, Ank en Marion drager zijn van een erfelijke aanleg in het BRCA1 of BRCA2-gen. De kans dat Christa’s vader dan ook drager was, is 50 procent. Als hij drager was, is de kans dat Christa zelf ook weer drager is, ook 50 procent. Op basis van de kennis over Christa’s tantes, heeft Christa een kans van 1 op de 4 (25 procent) om drager te zijn van een erfelijke aanleg in de BRCA-genen.

Omdat drie tantes van Christa op jonge leeftijd borstkanker hadden, kan haar huisarts haar doorverwijzen naar een klinisch geneticus voor een erfelijkheidsonderzoek. Als Christa draagster blijkt te zijn van een erfelijke aanleg voor borstkanker in het BRCA1- of het BRCA2-gen, heeft zij een kans van 60 tot 80 procent dat zij voor haar 80ste borstkanker krijgt. Dat betekent dat 60 tot 80 van de 100 vrouwen met dit gen borstkanker krijgen voor ze 80 jaar zijn. Overigens zijn er meer genen die betrokken zijn bij borstkanker. Het hangt er vanaf in welk gen een erfelijke aanleg wordt gevonden hoe groot de kans op borstkanker is.

Ook als Christa geen aanleg voor erfelijke borstkanker blijkt te hebben, is er nog steeds een kans dat zij borstkanker krijgt. Dan is het geen erfelijke vorm van borstkanker. In Nederland krijgt 13% van de vrouwen in haar leven borstkanker (13 van de 100 ). In de meeste gevallen is borstkanker niet het gevolg van een erfelijke aanleg.

Als er borst- of eierstokkanker in de familie voorkomt, is het altijd raadzaam dit te bespreken met de huisarts, ook als er niet bekend is of er sprake is van een erfelijke aanleg voor kanker. Het is niet altijd nodig genetisch onderzoek te laten doen. Soms zijn regelmatige borstcontroles voldoende. Of is het handiger om eerst DNA-onderzoek te doen bij andere familieleden, vooral bij hen die kanker hebben (gehad).

Linda: “Mijn neefje Max, het zoontje van mijn zus Chantal, heeft een verstandelijke beperking. Onlangs zijn we erachter gekomen dat dit door het Fragiele X-syndroom komt. Dit is een erfelijke ziekte. Ik heb nog geen kinderen. Is er een kans dat een kind van mij ook Fragiele X-syndroom heeft?”

Antwoord:

De mutatie die Fragiele-X-syndroom veroorzaakt, zit op het X-chromosoom. De manier waarop het overerft is niet zo simpel. In principe erft het syndroom X-gebonden dominant over.
Fragiele X-syndroom ontstaat doordat een gen op het X-chromosoom steeds langer wordt. Dit 'langer worden' kan gebeuren als het X-chromosoom wordt doorgegeven aan de nieuwe generatie. Op een gegeven moment is het gen zo lang, dat het niet meer goed werkt en dan wordt iemand geboren met het Fragiele-X-syndroom.

Meestal heeft de moeder van een jongen met Fragiele-X-syndroom een X-chromosoom met een verlengd gen, maar is het gen nog niet zo lang dat het Fragiele-X- syndroom ontstaat. Dat heet een premutatie. Zij heeft dan geen Fragiele-X.

Het kan ook zijn dat de moeder een X-chromosoom heeft met een gen dat  zo lang is dat het wel Fragiele-X-syndroom kan veroorzaken, dat heet een volle mutatie. Zij heeft daarnaast ook nog een gezond X-chromosoom.
Ongeveer 8 op de 10 (80 procent) vrouwen die een volle mutatie in hun X-chromosoom hebben, ontwikkelt een lichte vorm van Fragiele-X-syndroom.

In beide gevallen is er 50 procent kans (een kans van 1 op de 2) dat de moeder het verlengde X-chromosoom doorgeeft aan haar kind. Bij het doorgeven kan de premutatie veranderen in een volle mutatie.
Geeft zij het door aan een zoon, dan heeft die zoon Fragiele-X-syndroom, omdat hij maar één X-chromosoom heeft. Van zijn vader heeft hij immers het Y-chromosoom gekregen.
Ook een dochter met een volle mutatie heeft een grote kans om Fragiele-X-syndroom te ontwikkelen, maar vaak is het bij meisjes minder ernstig.

In dit geval weten we dus dat Chantal een X-chromosoom heeft met de premutatie of de volle mutatie. Het is moeilijk te zeggen hoe groot de kans is dat Linda ook een X-chromosoom met een premutatie of een volle mutatie heeft. De kans dat zij hetzelfde X-chromosoom heeft geërfd als haar zus, is 50%. Maar de lengte van het gen kan bij Linda toch anders zijn.

Dit maakt het ook moeilijk te zeggen hoe groot de kans is dat een kind van Linda Fragiele X-syndroom heeft. Het feit dat het syndroom bij het kindje van haar zus voorkomt, is voldoende reden om erfelijkheidsonderzoek te vragen.

Maar ook omdat vrouwen met een premutatie op latere leeftijd hiervan alsnog klachten kunnen krijgen, zoals een vervroegde overgang (FXPOI) of problemen met bewegen (FXTAS),  is het aan te raden dat zowel Linda als Chantal laten onderzoeken of zij drager zijn van een volle mutatie of een premutatie.
Als Linda drager is van de premutatie en zij en haar partner Mark willen graag kinderen, kan zij met de klinisch geneticus bespreken welke opties er zijn bij hun kinderwens om een gezond kindje te krijgen.

Daniël: “Mijn vader heeft schizofrenie. Dat is begonnen toen hij ongeveer net zo oud was als ik nu ben. Hoe groot is de kans dat ik ook schizofrenie krijg?”

Antwoord:

 

Schizofrenie is, net als vele andere psychische ziektes, een multifactoriële ziekte. Dat betekent dat zowel erfelijke aanleg als omgevingsfactoren een rol spelen bij het ontstaan van schizofrenie. Ongeveer 1% van de mensen heeft schizofrenie, dus 1 op de 100 mensen heeft schizofrenie.

Bij kinderen van wie één van de ouders schizofrenie heeft, ligt de kans dat zij ook schizofrenie krijgen tussen de 6% en de 13%. Dat betekent dat 6 tot 13 van elke 100 kinderen met een schizofrene ouder,  ook schizofrenie krijgt.
Die kans is dus groter dan wanneer beide ouders géén schizofrenie hebben. Maar je kunt het ook omdraaien: 87 tot 94 van de 100 kinderen met een ouder met schizofrenie krijgt de ziekte niet. Je kunt daarom ook zeggen dat de kans ongeveer 90% is dat Daniël geen schizofrenie krijgt.

Het is in gevallen zoals dat van Daniël goed om met de huisarts over het risico op schizofrenie te praten.

“In mijn familie en die van mijn partner komt voor zover we weten geen erfelijke ziekte voor. Hoe groot is de kans dat wij een kind krijgen met een erfelijke ziekte?”

Antwoord:
Op deze vraag is geen eenduidig antwoord te geven. Het is zo dat ieder mens drager is van één of meer erfelijke ziektes, vaak zonder dat ze dit weten. De meeste van deze ziektes zijn heel erg zeldzaam.
Van elke 100 stellen is er 1 stel allebei drager van dezelfde erfelijke ziekte. In het zeldzame geval dat jullie wel beiden drager zijn van dezelfde ziekte, is de kans dat jullie kind de ziekte heeft 25% (1 op de 4).
Dat houdt in dat er ook een kans van 75% (3 op de 4) is dat jullie een gezond kind krijgen, ondanks het feit dat jullie drager zijn.

Meer informatie over dragerschap van erfelijke ziektes en de mogelijkheden om te onderzoeken of jij en je partner drager zijn van een erfelijke ziekte, vindt je in de Special Dragerschap op deze website.

“Ik wil graag weten of ik aanleg heb voor een erfelijke ziekte, en of er een kans is dat ik een kind met een erfelijke ziekte krijg. Er komen geen erfelijke ziektes in mijn familie voor. Kan ik ook zo’n test doen die je via internet bestelt, in plaats van naar de dokter gaan?”

Antwoord:
Er bestaan verschillende soorten genetische thuistesten. Deze testen kun je tegen betaling krijgen bij bedrijven, vaak via internet. De uitslag ontvang je via de post of de mail. Een thuistest is zinvol als het gaat om ziektes waarvan zeker is dat de oorzaak erfelijk is. Zo zijn er thuistesten waarmee je met zekerheid kunt laten onderzoeken of je drager bent van een erfelijke ziekte.

Er zijn ook genetische thuistesten die je kans op een veelvoorkomende ziekte, zoals diabetes type 2 of kanker voorspellen. Bij deze ziektes speelt niet alleen erfelijkheid een rol, maar bijvoorbeeld ook je voeding en je leefstijl. Een genetische thuistest kan dan meestal niet betrouwbaar voorspellen hoe groot je kans is op zo’n ziekte.

Er zijn in Nederland verschillende ziekenhuizen die dragerschapstesten aanbieden aan mensen bij wie geen erfelijke ziekte in de familie voorkomt. Kijk hiervoor in onze Special Dragerschap. Mocht je toch een genetische thuistest willen doen, laat je dan goed informeren voor welke ziektes de test resultaat geeft, wat de betrouwbaarheid is en waar je terecht kunt als je vragen hebt over de uitslag.

Meer informatie over genetische thuistesten.

Wist je dat?