Erfelijke eigenschappen worden niet alleen door de ouders bepaald. Ook grootouders en verdere voorouders tellen mee. Daarom kan een kind een onverwachte oogkleur hebben. Die kleur is dan ooit eerder in de familie voorgekomen.
Bijvoorbeeld: ouders met blauwe ogen kunnen een kind krijgen met bruine ogen, al komt dat niet vaak voor. En blauwe ogen kunnen generaties lang niet voorkomen, en toch heeft dan opeens een kind in de familie blauwe ogen.

De oogkleur kan niet worden gebruikt om vast te stellen of twee mensen familie van elkaar zijn. Dat kan alleen worden bepaald met verwantschapsonderzoek.
De oogkleur wordt door verschillende genen bepaald. Er zijn genen die de kleur op zich bepalen. Andere genen bepalen de spikkeltjes in het oog. En de stof waaruit het oog is samengesteld wordt door weer andere genen bepaald. Dit heeft allemaal invloed op de kleur. Al die verschillende genen maken het ingewikkeld om uit te leggen hoe de overerving van oogkleur verloopt. Bovendien is nog niet alles precies bekend.
Ouders geven kopieën van hun genen door aan hun kinderen. Iedereen heeft van elk gen twee kopieën. Je erft er van elke ouder één. Sommige kleurbepalende genen onderdrukken andere genen. Dit betekent dat zij dominant zijn over het andere gen. Bruin is het meest dominant, dan groen, en het minst dominant is blauw.
We doen nu even net alsof er maar twee genen zijn die de oogkleur bepalen. Als voorbeeld nemen we het 'bruin of blauw' type gen, en het 'groen of blauw' type gen. De combinatie van deze genen bepaalt de oogkleur. Ouders kunnen een bruine of een blauwe kopie doorgeven van het 'bruin of blauw' type gen. Van het 'groen of blauw' type gen geven ouders ook een kopie door aan hun kinderen. Een groene of blauwe kopie dus.
Kort samengevat geven zowel de vader als moeder de volgende kleuren door aan het kind:
Bruin of blauw én groen of blauw.
In het schema staan de verschillende mogelijkheden. In de bovenste rij staan de kopieën die de moeder kan doorgeven. In de linker kolom staan de kopieën die de vader kan doorgeven aan de kinderen. In het rest van het schema staat de kleur ogen die de kinderen kunnen erven.
Voorbeeld: als een kind van zijn vader groen en blauw erft, en van zijn moeder blauw en blauw, zal het kind groene ogen hebben. Want de groene kopie is dominant over de blauwe kopieën.
Volgens het schema heeft elk kind:
• 75% kans op bruine ogen: minimaal één bruin (overheersend) kopie van de vader en/of moeder.
• 20% kans op groene ogen: geen bruine kopieën en minimaal één groene kopie van de vader en/of moeder.
• 5% kans op blauwe ogen: alleen blauwe kopieën van beide ouders.
Trouwens: alle pasgeborenen hebben blauwe ogen, omdat het pigment (kleurstof) dan nog niet is gemaakt
Auteur
Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter)
Redactie
Ragna Senf, MSc (bioloog)
Foto
Oog. Copyright: Kate Whitley, Wellcome Images
Tabel overerving oogkleur. Copyright: Erfocentrum
Aanmaakdatum
29-11-2011
Updatedatum
12-12-2011