
Sommige eigenschappen komen bij bepaalde bevolkingsgroepen vaker voor. Denk bijvoorbeeld aan blond haar bij mensen uit Scandinavië, of de oogvorm van Aziaten. Maar ook een aantal erfelijke aandoeningen komt onder bepaalde bevolkingsgroepen vaker voor.
Mensen uit landen waar malaria voorkomt, hebben bijvoorbeeld een verhoogde kans op sikkelcelziekte. Of ze zijn drager van deze ziekte. Sikkelcelziekte werkt namelijk als een verdediging tegen malaria. Sikkelcelziekte komt daarom vaker voor bij mensen uit onder andere Turkije, Marokko en Suriname. Cystic fibrose (CF) komt juist vaker voor in West-Europese landen, waaronder Nederland, maar waarom is niet bekend.
Erfelijke kenmerken ontstaan geleidelijk, in de loop van vele duizenden jaren. Over het algemeen ontstaan ze omdat de eigenschap voordelig is. Mensen met het kenmerk leefden daardoor bijvoorbeeld langer en kregen meer kinderen met hetzelfde kenmerk. Op den duur heeft dan de hele bevolking de eigenschap geërfd. Een voorbeeld: mensen kunnen nu rechtop lopen, omdat ze op die manier sneller konden bewegen over de grond. Ook hadden ze zo hun handen vrij voor bijvoorbeeld jagen en konden ze verder zien.
Het onderzoek naar erfelijke eigenschappen binnen bevolkingsgroepen heet populatiegenetica.
Als je kinderen krijgt binnen een kleine groep mensen of met bloedverwanten, neemt de kans toe dat je dezelfde eigenschappen hebt. De ziekte van Tay-Sachs komt bijvoorbeeld meer voor bij Asjkenazische Joden dan bij andere mensen. Er zijn in deze bevolkingsgroep meer dragers van de erfelijke aanleg van deze aandoening. Als men binnen de eigen bevolkingsgroep kinderen krijgt, is de kans groter dat beide ouders drager zijn. En dus is er een verhoogde kans dat een kind de ziekte krijgt. Bloedverwanten die samen kinderen willen krijgen, kunnen eerst laten testen of ze drager zijn van de ziekte van Tay-Sachs.
Auteur
Ragna Senf, MSc (bioloog)
Redactie
Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter)