
Een monogene aandoening wordt veroorzaakt door één verandering (mutatie) in één gen. Genen zitten in alle lichaamscellen op de chromosomen. Genen bevatten informatie om de eiwitten te maken, waaruit ons lichaam is opgebouwd. Als de mutatie er voor zorgt dat een gen niet of niet goed meer werkt, kan dit een aandoening veroorzaken. Van alle pasgeborenen heeft ongeveer 1,5 op de 100 (1,5%) een monogene aandoening.
Wetenschappers schatten dat meer dan 10.000 ziekten monogeen zijn. De aard van een monogene ziekte hangt af van de soort mutatie en van de plaats op het gen. Zo’n mutatie ontstaat bijvoorbeeld wanneer er iets mis gaat bij het kopiëren van één van de ongeveer 30.000 genen. Dit kopiëren gebeurt als de cellen van de ongeboren vrucht zich vermenigvuldigen.
Monogene aandoeningen zijn erfelijk en worden verdeeld in drie categorieën. Ze zijn:
Iedereen heeft twee kopieën van elke soort gen. Zo’n kopie noemt men een allel (meervoud: allelen). De ene kopie heb je van je moeder gekregen, de andere kopie van je vader.
Een voorbeeld van een monogene aandoening is familiaire hypercholesterolemie (FH). Dit is een autosomaal dominante aandoening. De oorzaak is meestal een mutatie op het LDLR gen. Door de mutatie wordt een bepaald eiwit niet gemaakt. Daardoor kan de hoeveelheid van een bepaalde soort cholesterol in het bloed toenemen. Dit leidt dan weer tot de kenmerken van de ziekte.